Bekijk

Basiskennis Hogedrukhomogenisatoren

Leestijd: 23 min

Type: Publicaties

1. Inleiding

Een hogedrukhomogenisator perst vloeistofmengsels — emulsies (bijvoorbeeld olie-in-water) en dispersies (vaste deeltjes in een vloeistof) — onder zeer hoge druk door een nauwe klepopening, waardoor druppels en deeltjes tot een zeer kleine, uniforme grootte worden teruggebracht. Het resultaat is een fijnere, stabielere structuur: minder opromen (creaming), bezinking of fasescheiding, een consistentere viscositeit en textuur, en doorgaans een lagere emulgatordosering.

Dat stabiliteitseffect is in de praktijk vaak de belangrijkste reden om te homogeniseren: door de druppel- of deeltjesgrootte te verkleinen en de verdeling te versmallen, neemt de kans op ontmenging tijdens opslag en transport sterk af. Homogenisatie is daarmee een directe hefboom op de houdbaarheid (shelf life) van een product — een matig gehomogeniseerd zuivelproduct kan binnen dagen zichtbaar room afzetten, terwijl een correct gehomogeniseerd product wekenlang stabiel blijft.

De term ‘homogenisatie’ stamt uit 1900, toen Auguste Gaulin op de Wereldtentoonstelling in Parijs een machine voorstelde om melk te behandelen; melk die op deze manier was verwerkt werd toen voor het eerst ‘gehomogeniseerd’ genoemd. Zijn uitvinding — een plunjerpomp met homogeniseerklep — vormt nog steeds de basis van de machines die vandaag worden gebruikt, van laboratoriumtoestellen tot industriële installaties met capaciteiten van tienduizenden liters per uur.

Hogedrukhomogenisatoren worden wereldwijd toegepast in de zuivel-, voedingsmiddelen-, farmaceutische, biotechnologische en chemische industrie. Dit document behandelt de werking, de belangrijkste procesparameters, toepassingen, voor- en nadelen, onderhoudsaandachtspunten en de belangrijkste alternatieve technieken.

2. Werkingsprincipe

Een hogedrukhomogenisator bestaat in de kern uit twee onderdelen: een plunjerpomp (een verdringerpomp met meerdere plunjers) en een homogeniseerklep. De plunjerpomp zorgt voor een constante productstroom en bouwt de gewenste druk op. Deze druk wordt gerealiseerd doordat de klep tegen zijn zitting wordt gedrukt, waardoor de doorstroomopening zeer klein wordt.

Wat gebeurt er in de homogeniseerklep?

Het onbehandelde product komt de klepzitting binnen met een relatief lage snelheid (enkele meters per seconde) maar een hoge druk. Zodra het product door de nauwe spleet tussen klep en zitting wordt geperst, neemt de snelheid enorm toe — tot circa 150 meter per seconde bij een druk van ongeveer 200 bar — terwijl de druk vrijwel ogenblikkelijk wegvalt. Direct na de spleet botst de versnelde vloeistofstraal frontaal op de zogeheten impactring (ook wel slijtring): een vast onderdeel dat pal achter de klepopening is geplaatst. Deze botsing remt de stroming abrupt af en levert zelf een extra bijdrage aan het openbreken van druppels en deeltjes, voordat het product met sterk verminderde snelheid de machine verlaat. Deze combinatie van extreme versnelling, drukval en impact duurt minder dan 50 microseconden (0,00005 seconde), maar in die luttele tijd wordt een grote hoeveelheid energie in een zeer klein volume vloeistof gestopt.

Er zijn drie fysische effecten die samen deze energie omzetten in kleinere druppels en deeltjes:

  • Turbulentie — beschouwd als het belangrijkste mechanisme. De energie die vrijkomt genereert intense turbulente wervelingen, ongeveer even groot als de druppels zelf. De drukverschillen binnen deze wervelingen trekken de druppels letterlijk uiteen.
  • Cavitatie — door de sterke drukval kan de dampspanning van de vloeistof lokaal worden overschreden, waardoor piepkleine dampbelletjes ontstaan die direct weer imploderen. De schokgolven die daarbij vrijkomen helpen mee om druppels open te breken.
  • Impact — de frontale botsing van de versnelde vloeistofstraal op de impactring, direct na de klepspleet, draagt eveneens bij aan de verdere fijnverdeling — met name bij hardere of grovere deeltjes.

Shear (afschuiving) wordt in de volksmond vaak als hoofdoorzaak genoemd, maar speelt in de klep zelf een beperktere rol dan vaak wordt gedacht: de daadwerkelijke afschuifkrachten in de bulkstroming zijn hiervoor doorgaans te beperkt.

Energie en temperatuur

Doordat zoveel energie in zo weinig tijd en volume wordt gedissipeerd, ontstaat een zeer hoge energiedichtheid — indicatief in de orde van 1.000 kW per kubieke centimeter product. Opvallend is dat minder dan 0,1% van deze energie daadwerkelijk wordt gebruikt om nieuw druppeloppervlak te creëren; het overgrote deel wordt direct omgezet in warmte. Het product warmt dus onvermijdelijk op tijdens de passage door de klep. Voor een waterachtig product komt dit ruwweg neer op 2 tot 2,5 °C temperatuurstijging per 100 bar homogenisatiedruk; bij 300 bar loopt dat dus al op tot 6-8 °C. Producten met een lagere soortelijke warmte (met name vet- en olierijke producten) warmen bij gelijke druk sterker op dan waterige producten. Bij warmtegevoelige formuleringen is deze opwarming een reëel aandachtspunt, al blijft de temperatuurstijging bij homogenisatoren doorgaans lager dan bij vergelijkbare hoogenergetische alternatieven zoals de colloïdemolen.

3. Opbouw van de machine

Onder de motorkap van iedere industriële hogedrukhomogenisator zit in essentie dezelfde combinatie van onderdelen, ongeacht merk of capaciteit:

  • Aandrijving/motor — een elektromotor drijft via een riem- of tandwieloverbrenging de krukas aan.
  • Krukas en drijfstangen — zetten de draaiende beweging van de motor om in de heen-en-weergaande beweging van de plunjers.
  • Plunjers — meestal 2, 3 of 5 stuks, meestal uitgevoerd met een slijtvaste coating (bijvoorbeeld Diamond Like Carbon), verdringen het product en bouwen de druk op.
  • Pakkingen/dichtingen — dichten de plunjers af tegen het compressieblok; dit zijn typische slijtdelen (zie hoofdstuk 11).
  • Compressieblok met zuig- en persklep — zorgt dat het product in de juiste richting stroomt tijdens de op- en neergaande beweging van de plunjers.
  • Homogeniseerklep(pen) — het hart van de machine, waar de daadwerkelijke homogenisatie plaatsvindt (zie hoofdstuk 2).
  • Veiligheidsklep — beveiligt de installatie tegen overdruk.
  • Smeersysteem — een gescheiden oliesysteem smeert het carter/de aandrijving; product en smeerolie mogen elkaar nooit raken.

Voor kritische of hoogviskeuze toepassingen zijn de compressiekop en kleppen doorgaans uitgevoerd in RVS, wolfraamcarbide of keramiek om slijtage door abrasieve deeltjes te beperken.

4. Eén of twee homogenisatietrappen

Veel homogenisatoren zijn uitgerust met een tweede klep, direct na de eerste. Dit wordt de ’tweede trap’ genoemd, en werkt op een aanzienlijk lagere druk dan de eerste trap — meestal ongeveer 10 tot 15% van de totale homogenisatiedruk.

Wat doet de tweede homogeniseertrap?

De tweede trap voegt zelf weinig extra deeltjesverkleining toe. Zijn belangrijkste functie is het beïnvloeden van het proces in de eerste trap: door tegendruk (backpressure) te leveren, onderdrukt de tweede trap cavitatie in de eerste trap en houdt hij de turbulente werking in stand. Met andere woorden: de tweede trap ‘stemt’ de eerste trap fijn af. Bij zuivelproducten is aangetoond dat een homogenisator met twee trappen op 138 bar een vergelijkbaar resultaat geeft als een systeem met één trap op 152–159 bar — de tweede trap maakt het proces dus effectiever bij eenzelfde (of zelfs lagere) belasting van de machine.

Wanneer één trap, wanneer twee trappen

  • Eén trap volstaat vaak bij dispersies (bijvoorbeeld pigmenten, klei, ketchup) en bij toepassingen waar een brede druppelgrootteverdeling geen probleem is, of waar juist een specifieke, hogere viscositeit gewenst blijft (een tweede trap kan de viscositeit van sommige complexe producten beïnvloeden).
  • Twee trappen worden aanbevolen bij emulsies waar een nauwe, stabiele druppelgrootteverdeling belangrijk is — het klassieke voorbeeld is melk en room, maar ook bij fijne voedings-, farmaceutische en chemische emulsies waar terugkerende opromen (creaming) of scheiding voorkomen moet worden.
  • Producten met een hoog vetgehalte hebben vrijwel altijd een tweede trap nodig. Bij eentraps-homogenisatie van vetrijke producten (room, volle melk, sauzen met een hoog oliegehalte) blijven vetbolletjes na de klep elektrostatisch en fysisch aan elkaar ‘plakken’ en vormen ze clusters (clustering) die zich als grotere deeltjes gedragen — met versnelde opromen als gevolg, ook al is de oorspronkelijke druppelgrootte klein. De tweede trap breekt deze clusters weer uiteen direct nadat ze zijn ontstaan, zodat de individuele, kleine druppelgrootte behouden blijft.

Als vuistregel geldt: gebruik één trap wanneer het doel vooral deeltjesverkleining is en het vetgehalte laag is; gebruik twee trappen wanneer een nauwe en stabiele verdeling minstens zo belangrijk is als de gemiddelde deeltjesgrootte zelf, en vrijwel altijd bij een hoger vetgehalte.

5. Wat bepaalt goede homogenisatie

Druk en deeltjesgrootte

Hoe hoger de homogenisatiedruk, hoe kleiner de gemiddelde druppel- of deeltjesgrootte — maar dit verband is niet lineair. De curve is logaritmisch: bij lage druk levert iedere extra bar een grote winst op, maar bij hoge druk vlakt de curve sterk af. Er bestaat bovendien een praktische ondergrens: rond 0,1 tot 0,2 micrometer wordt verdere drukverhoging nauwelijks nog effectief, omdat de oppervlaktekrachten van zeer kleine druppeltjes steeds meer weerstand bieden tegen verdere opdeling.

Figuur 3 — Effect van druk en aantal doorgangen op de deeltjesgrootte (illustratief).

Kwaliteit van de voormix (premix)

De conditie van het product vóór het de homogenisator ingaat is een van de bepalende factoren voor het eindresultaat. Grote druppels kosten relatief weinig energie om tot een gemiddelde grootte te reduceren; het is inefficiënt — en belastend voor de machine — om de dure, hoogenergetische homogenisator in te zetten op een grove, slecht voorgedispergeerde voormix. Als vuistregel moet de voormix al druppels kleiner dan circa 10 micrometer bevatten, zodat de homogenisator zijn energie kan reserveren voor de laatste, fijnste verkleiningsstap. Ook de uniformiteit van de voormix telt: een brede spreiding in de voormix kan resulteren in een bimodale (tweetoppige) deeltjesgrootteverdeling in het eindproduct, ook na homogenisatie.

Is de voormix slecht tot matig gedispergeerd — grove agglomeraten, niet volledig bevochtigde poeders, een grove ruwe emulsie rechtstreeks vanuit een mengtank — dan is het raadzaam om vóór de homogenisator een (high) shear mixer of rotor-statormenger te installeren als voorbewerkingsstap. Deze reduceert de voormix in één of enkele passages tot een fijnere, uniformere grove emulsie of dispersie, waarna de homogenisator die verder afwerkt tot de uiteindelijke, fijne deeltjesgrootte. Dit voorkomt onnodige belasting en slijtage van de homogeniseerklep en levert doorgaans een beter eindresultaat op dan de homogenisator direct op een ruwe voormix te laten werken.

Er geldt bovendien een harde bovengrens: te grove deeltjes kunnen de nauwe klepspleet fysiek niet passeren zonder de klep en zitting te beschadigen of te blokkeren. Op de FBF-machinespecificaties (Hyprosys) wordt hiervoor consistent een maximale deeltjesgrootte van 500 micrometer aangehouden voor het voedingsproduct van de homogenisator, ongeacht model of toepassing. Grovere fracties moeten vooraf worden afgevangen (bijvoorbeeld met een zeef of strainer) of eerst met een shear mixer worden verkleind.

Meerdere doorgangen (multipass)

Omdat homogenisatie een statistisch proces is, wordt niet elk druppeltje bij een enkele passage even intensief bewerkt. Een deel van de druppels ‘ontsnapt’ relatief onbewerkt. Door het product meerdere keren door de klep te sturen, neemt de kans toe dat ook deze grotere druppels alsnog worden verkleind, wat de verdeling versmalt. Het effect van extra doorgangen neemt echter snel af: voorbij circa negen doorgangen levert een extra passage nauwelijks nog verbetering op.

Vet-/oliegehalte

Bij een hoger vet- of oliegehalte moet dezelfde hoeveelheid energie over meer druppels worden verdeeld, waardoor de emulsiekwaliteit iets terugloopt. De homogenisator werkt het meest efficiënt bij een oliegehalte onder 50%; boven ongeveer 65% oliefractie wordt het lastig om nog een stabiele emulsie te maken (bij zeer fijne deeltjes ligt deze grens soms al bij 50%).

Materiaalslijtage bij abrasieve producten

Producten met harde, hoekige deeltjes (zoals sommige pigment- of mineraaldispersies) zijn abrasiever dan gladde emulsies en veroorzaken meer slijtage aan klep en zitting. Hoe abrasief een product precies is, hangt niet alleen af van de hardheid van het materiaal maar ook van deeltjesvorm en -grootte; kleinere deeltjes zijn doorgaans minder abrasief dan grotere deeltjes van hetzelfde materiaal. Voor dit soort toepassingen worden klep en zitting vaak uitgevoerd in wolfraamcarbide of keramiek.

6. Invloed van vloeistofviscositeit

De hogedrukhomogenisator werkt het beste met producten van een relatief lage viscositeit. Hoe viskeuzer het product, hoe minder efficiënt de energie wordt omgezet in deeltjesverkleining.

Newtoniaanse versus niet-Newtoniaanse vloeistoffen

Bij Newtoniaanse vloeistoffen blijft de viscositeit constant, ongeacht de mate van afschuiving. Veel echte producten zijn echter niet-Newtoniaans: thixotroop/pseudoplastisch (zoals latexverf), waarbij de viscositeit daalt naarmate er meer kracht op wordt uitgeoefend, of dilatant, waarbij de viscositeit juist sterk toeneemt onder belasting. Dilatante producten zijn doorgaans niet geschikt voor hoogenergetische apparatuur zoals de homogenisator (met uitzondering van bepaalde ruwe kleidispersies).

Effect op efficiëntie

Figuur 4 — Invloed van viscositeit op de homogenisatie-efficiëntie (illustratief).

Als praktische richtlijn geldt voor de viscositeit van de gedispergeerde fase (bijvoorbeeld de oliefase in een olie-in-water-emulsie):

  • Onder circa 200 cP: optimale werking van de homogenisator.
  • Tussen circa 200 en 1.000 cP: geleidelijk afnemende efficiëntie — vaak nog bruikbaar, maar minder scherp resultaat.
  • Boven circa 500 cP wordt de homogenisator merkbaar minder efficiënt; boven de 1.000 cP is een homogenisator meestal geen goede keuze meer.

Ook de viscositeit van de continue fase (bijvoorbeeld de waterfase) speelt mee: de efficiëntie neemt af tot ongeveer 100 cP, waarna het effect afvlakt. In de praktijk kan een te hoge viscositeit worden verlaagd door het product op te warmen, of — bij bijvoorbeeld harsemulsies — door de oliefase in een oplosmiddel op te lossen. Bij continue processen wordt om deze reden regelmatig een verwarmde voormix toegepast.

Invloed van producttemperatuur

Omdat viscositeit temperatuurafhankelijk is, is de producttemperatuur bij aanvoer naar de homogenisator een directe hendel op het proces. Een hogere voedingstemperatuur verlaagt de viscositeit van de vet-/oliefase en verbetert daarmee doorgaans de homogenisatie-efficiëntie — dit is de reden dat homogenisatie in de zuivelindustrie vrijwel altijd direct aansluitend op pasteurisatie plaatsvindt, terwijl het product nog warm is (doorgaans 55-70 °C). Melkvet is bij deze temperatuur volledig vloeibaar; onder het smeltpunt van melkvet (circa 35 °C) is een deel van het vet kristallijn, wat de vetbolletjes stugger en lastiger te vervormen maakt. Homogeniseren van een te koud product levert daardoor merkbaar minder fijne en minder stabiele emulsies op, ongeacht de ingestelde druk.

Een te hoge voedingstemperatuur kent echter ook risico’s: bij warmtegevoelige producten (eiwitten, enzymen, sommige farmaceutische formuleringen) kan overmatige opwarming — de voedingstemperatuur plus de temperatuurstijging die de homogenisator zelf toevoegt, zie paragraaf 2.2 — leiden tot denaturatie, functieverlies of ongewenste bruining/smaakvorming. Voor dit soort producten wordt de voedingstemperatuur juist bewust laag gehouden en wordt eventueel gekoeld tussen de trappen of na de homogenisator. De optimale procestemperatuur is dus altijd een afweging tussen voldoende lage viscositeit voor een goede fijnverdeling enerzijds, en het beperken van thermische belasting van het product anderzijds.

7. Drukbereiken in de praktijk

De juiste homogenisatiedruk hangt sterk af van het product en het gewenste resultaat. Onderstaande tabel geeft een indicatief overzicht van drukbereiken zoals die in de praktijk voorkomen, van laboratoriumtoestellen tot grote industriële installaties.

Type / toepassing Typische druk Indicatieve capaciteit
Microlab (bijv. Microlab 400, ijsproductie) ≈ 120 bar 400 l/u
Industriële homogenisator (bijv. FBF-serie, zuivel/food) 100 – 300 bar (standaard)

300 – 600 bar (optioneel)

50 – 66.000 l/u (per model en afhankelijk van de werkdruk)
Laboratoriumhomogenisator (bijv. MiniLab) tot 1.800 bar 20 – 58 l/u
Kritische emulsies (SEO-klep: liposomen, IV-emulsies) > 690 bar toepassingsafhankelijk
Bovengrens hogedruktechnologie (industrieel/lab) tot circa 2.000 bar toepassingsafhankelijk

In de zuivel- en voedingsindustrie wordt doorgaans gewerkt in het bereik van 100 tot 300 bar. Voor laboratoriumtoepassingen en kritische farmaceutische producten (bijvoorbeeld liposomen of intraveneuze emulsies) kan de druk oplopen tot 700 bar en zelfs tot rond de 2.000 bar bij gespecialiseerde hogedruksystemen. Als algemene vuistregel geldt: begin met de laagst mogelijke druk die het gewenste resultaat oplevert, en bepaal dit experimenteel door bij oplopende druk steeds een deeltjesgrootte- of viscositeitsmeting te doen — extra druk boven het punt waarop de kwaliteit niet meer verbetert, kost alleen maar energie en slijtage. Daarnaast wordt opschalen naar productievolumes bij ultra hoge verwerkingsdrukken lastig.

8. Toepassingen

Zuivel en voeding

De grootste en meest bekende toepassing: melk, room en ijsmixen. Ook dispersies zoals ketchup en tomatensaus, vruchtensappen, emulsies zoals sinaasappelolie- en drankemulsies, slagroomvervangers en cremesoepen worden gehomogeniseerd voor een stabielere, gladdere textuur.

Farmaceutische industrie

Crèmes en lotions (bijvoorbeeld met benzoylperoxide), antacida- en vitaminesuspensies, en — bij zeer hoge druk — kritische producten zoals liposomen, intraveneuze emulsies en bloedvervangende perfluorkoolstofemulsies.

Biotechnologie

Celdisruptie: het openbreken van micro-organismen zoals gist en E. coli om eiwitten en enzymen vrij te maken. Hiervoor bestaan speciale, ééntraps homogeniseerkleppen (cell disruption-kleppen) die specifiek geoptimaliseerd zijn voor dit doel.

Chemie

Dispersies van pigmenten zoals titaniumdioxide en carbon black, klei- en talkdispersies, en emulsies zoals was- en siliconenolie-emulsies.

9. Voordelen van hogedrukhomogenisatie

  • Langere houdbaarheid en stabielere producteigenschappen — een nauwe, kleine deeltjesgrootteverdeling vertraagt opromen, bezinking en fasescheiding aanzienlijk, met een direct effect op de shelf life en op een consistente textuur en viscositeit over de hele houdbaarheidstermijn.
  • Zeer fijne, uniforme deeltjes/druppels — tot in het submicron-gebied (rond 0,1 µm), met een reproduceerbaar resultaat.
  • Minder emulgator nodig — de hoge energie-inbreng vervangt chemische stabilisatoren. Ter illustratie: een emulsie gemaakt met een homogenisator op ruim 270 bar kan een vergelijkbare kwaliteit geven met 0,25% emulgator, tegenover circa 2,25% bij een high-shear mixer voor hetzelfde resultaat — een besparing die kan oplopen tot een factor 10 op emulgatorkosten.
  • Continu en hoogcapaciteitsproces — geschikt voor grootschalige, continue productielijnen en voor gesloten/aseptische systemen; er is geen aparte pomp nodig om het product na verwerking verder te transporteren.
  • Relatief beperkte temperatuurstijging — in vergelijking met andere hoogenergetische technieken blijft de opwarming van het product beperkt.
  • Breed inzetbaar — geschikt voor uiteenlopende sectoren: zuivel, voeding, farma, biotech en chemie.

10. Nadelen en aandachtspunten

  • Hoge investerings- en onderhoudskosten — plunjers, pakkingen en kleppen zijn slijtdelen die periodiek vervangen moeten
  • Beperkt tot lagere viscositeiten — boven circa 500–1.000 cP (gedispergeerde fase) neemt de efficiëntie sterk af; voor zeer viskeuze producten is de homogenisator niet de eerste keuze.
  • Gevoelig voor slijtage bij abrasieve producten — harde, hoekige deeltjes tasten klep en zitting sneller aan, wat vraagt om slijtvaste materialen en frequente inspectie.
  • Kritisch afhankelijk van een goede voormix — een te grove of ongelijkmatige voormix beperkt het eindresultaat, ongeacht de ingestelde druk.
  • Laag energetisch rendement voor het eigenlijke doel — minder dan 0,1% van de toegevoerde energie wordt daadwerkelijk gebruikt voor druppelverkleining; het proces is daardoor relatief energie-intensief per liter product.
  • Beperkt maximaal oliegehalte — boven circa 65% oliefractie is een stabiele emulsie lastig te maken (in tegenstelling tot bijvoorbeeld een colloïdemolen).
  • Hoog energieverbruik — Het continu opbouwen van hoge drukken vraagt een fors motorvermogen (enkele kW tot meer dan 100 kW), met bijbehorende hoge stroomverbruik en kosten.

11. Onderhoud: waar op te letten

Een hogedrukhomogenisator is een mechanisch zwaarbelaste machine: elke plunjerslag brengt het product en de kritische onderdelen op hoge druk. Regelmatige controle van onderstaande punten voorkomt de meeste storingen en verlengt de levensduur aanzienlijk.

Belangrijkste aandachtspunten

  • Veiligheidsklep: controleer periodiek op correcte werking en afwezigheid van lekkage.
  • Plunjers en pakkingen: dit zijn de meest voorkomende slijtdelen; lekkage hier is vaak het eerste signaal van slijtage.
  • Zuig- en persklepjes: vervuiling of slijtage hiervan veroorzaakt capaciteits- en drukverlies.
  • Oliekwaliteit in het carter: water of productresten in de olie zijn een waarschuwingssignaal voor een lekkende afdichting en verhogen het risico op lagerschade. Na 2.000 draaiuren is de smeerolie van de homogenisator net zo aan vervanging toe als de motorolie van een auto die in diezelfde tijd zo’n 100.000 km zou hebben afgelegd (uitgaande van een gemiddelde snelheid van 50 km/u).
  • Homogeniseerklep(pen): reinig en inspecteer regelmatig, vooral bij abrasieve producten.

12. Alternatieven voor hogedrukhomogenisatie

Colloïdemolen

De colloïdemolen werkt volgens een ander principe: het product wordt door de nauwe, instelbare spleet tussen een roterende conus (rotor) en een vast onderdeel (stator) geperst. Door de hoge omtreksnelheid van de rotor ontstaan sterke afschuifkrachten (shear) in het product.

  • Voordelen: kan aanzienlijk hogere viscositeiten verwerken (tot 5.000 cP, en met een lager toerental zelfs meer), en een hoger oliegehalte (tot 80–85% tegenover circa 65% bij de homogenisator) zonder dat de emulsie omslaat. Minder gevoelig voor viscositeitstoename dan de homogenisator.
  • Nadelen: de bereikte deeltjesgrootte is groter (doorgaans 1–5 µm in plaats van submicron), er is meer emulgator nodig voor een vergelijkbaar stabiele emulsie, en vaak is een extra pomp nodig om het product verder te transporteren. Daarnaast is de capaciteit van een colloïdemolen beperkt en moeten de koppen van de machine regelmatig worden gekalibreerd/bijgesteld. Voor grotere productievolumes is een colloïdemolen waarschijnlijk niet een alternatief.

(Ultra) high shear mixers / rotor-statormengers

High shear mixers gebruiken een snel roterende kop (dispergeerschijf, rotor-stator of inline-high shear mixer) om poeders te bevochtigen, op te lossen of grove emulsies te maken. Zoals aangegeven in paragraaf 5.2 worden ze zeer regelmatig ingezet als voorbewerkingsstap vóór de hogedrukhomogenisator: bij een slecht of matig gedispergeerde voormix — of wanneer deeltjes de maximaal toelaatbare grootte voor de klep (500 µm, zie paragraaf 5.2) kunnen overschrijden — voorkomt een shear mixer vooraf onnodige slijtage en een matig eindresultaat.

  • Voordelen: eenvoudiger, compacter en goedkoper in aanschaf en onderhoud dan een hogedrukhomogenisator; geschikt voor batchprocessen; goed in het oplossen/bevochtigen van poeders en het maken van een voormix; geen extreem hoge druk nodig. In lijn (Ultra) High shear mixers zijn beschikbaar met hoge verwerkingscapaciteiten, vergen geen tussentijds bijstellen en kunnen een prima alternatief zijn voor een hogedrukhomogenisator als het gaat om halffabricaten of producten met een hogere viscositeit.
  • Nadelen: bereikt minder uniforme deeltjes-/druppelgrootte, vraagt meer emulgator voor eenzelfde stabiliteit, en is niet geschikt voor toepassingen die submicron-deeltjes of celdisruptie vereisen. Het vereiste vermogen van een ultra high shear mixer is hoog.

Vergelijking

Techniek Typische deeltjesgrootte Viscositeitsbereik Energie
dichtheid
Typisch toegepast voor
Hogedrukhomogenisator 0,1 – 1 µm (tot submicron) Laag (< 200–500 cP optimaal) Zeer hoog Fijne, stabiele emulsies/dispersies; celdisruptie; kritische farma-toepassingen
Ultra high shear mixer / rotor-statormenger 1 – 30 µm Gemiddeld tot hoog Gemiddeld – Hoog Viskeuze producten, hoog oliegehalte Fijne, stabieleemulsies/dispersies; Zuivel, sauzen, Mayonaise/dressing
Colloïdemolen (rotor-stator, verstelbare spleet) 1 – 5 µm Hoog (tot 5.000 cP, meer bij lager toerental) Gemiddeld Viskeuze producten, hoog oliegehalte (tot 80–85%), mayonaise/dressings
(High) shear mixer / rotor-statormenger 5 – 50 µm Gemiddeld tot hoog Laag – gemiddeld Poeder bevochtigen/oplossen, voormix maken, batch- of inline-processen, emulgeren

In de praktijk worden deze technieken vaak gecombineerd: een high shear mixer maakt een grove voormix, die vervolgens met een colloïdemolen of hogedrukhomogenisator verder wordt verfijnd tot de uiteindelijke gewenste deeltjesgrootte.

13. Aansluiting en leidingwerk

Een correct ingestelde homogenisator presteert alsnog onder de maat als de aan- en afvoerleidingen niet goed zijn aangelegd. Verkeerd leidingwerk is in de praktijk een veelvoorkomende oorzaak van cavitatie, capaciteitsverlies en mechanische trillingen. Deze paragraaf is gebaseerd op de Hyprosys/FBF-machinedocumentatie en de officiële troubleshooting-documentatie; §13.2 beschrijft daarnaast algemene, in de procesindustrie breed toegepaste praktijk voor leidingwerk van plunjerpompen, die niet Hyprosys-specifiek is vastgelegd maar wel relevant is bij het ontwerpen van de aansluiting.

Voedingsdruk en cavitatie aan de zuigzijde

Elke plunjer moet bij iedere zuigslag volledig met product worden gevuld. Is de voedingsdruk aan de inlaat te laag — of zijn de leidingverliezen in de aanvoerleiding te groot — dan vullen de cilinders onvolledig. Dit is in de kern cavitatie aan de zuigzijde: er ontstaan dampbelletjes die bij de daaropvolgende compressie imploderen, met capaciteitsverlies, schommelende homogenisatiedruk en versnelde slijtage van zuig- en persklep als gevolg. FBF-machinespecificaties stellen daarom altijd een minimale voedingsdruk aan de inlaat als harde installatie-eis (doorgaans 2-3 bar, modelafhankelijk — zie het technische gegevensblad van de betreffende machine); dit is geen aanbeveling maar een voorwaarde voor storingsvrij bedrijf.

Lucht in het product geeft vrijwel dezelfde symptomen als een te lage voedingsdruk (capaciteitsverlies, drukschommelingen) en wordt in de officiële troubleshooting-documentatie dan ook als aparte, gelijkwaardige oorzaak genoemd — met als remedie simpelweg het product luchtvrij aan te voeren. Bij een onstabiele of te lage voedingsdruk is de remedie volgens diezelfde documentatie: de voedingsdruk stabiliseren of verhogen, bijvoorbeeld met een boosterpomp wanneer zwaartekrachttoevoer of de leidingdruk vanuit het voorproces niet volstaat.

Leidingwerk: bochten en leidinglengte

  • Houd de aanzuigleiding zo kort en recht mogelijk: iedere bocht voegt wrijvingsverlies toe, wat de effectieve voedingsdruk bij de inlaat verlaagt en de kans op cavitatie vergroot.
  • Vermijd scherpe 90°-bochten direct vóór de inlaatflens; gebruik bochten met een ruime radius en laat, als een bocht vlak voor de inlaat onvermijdelijk is, een recht leidingstuk van enkele buisdiameters vóór de flens zodat de stroming gelijkmatig over de doorsnede aankomt.
  • Vermijd hoge punten of luchtzakken in de aanzuigleiding — een leiding die ongewenst omhoog en weer omlaag loopt, verzamelt lucht die vervolgens wordt meegezogen.
  • Kies een ruime leidingdiameter voor de aanzuigleiding, zodat de stroomsnelheid en daarmee het wrijvingsverlies laag blijven.

Pulsatiedempers

Een plunjerpomp levert van nature een pulserende stroom: iedere plunjerslag is een afzonderlijke drukstoot. Die pulsatie plant zich voort in star leidingwerk en kan leiden tot hoorbare trillingen (‘schudden’) van de leidingen, met op termijn vermoeiing van leidingsteunen, lasnaden en instrumentatie. Volgens de officiële troubleshooting-documentatie is de remedie tegen trillende leidingen door drukpulsaties: de voedings- en afvoercondities verbeteren én pulsatiedemper(s) plaatsen.

Hyprosys/FBF biedt pulsatiedempers op zowel de product-inlaat als de -uitlaat standaard als optie aan. Bij lange leidingtrajecten, hogere capaciteiten, of installaties waar leidingtrillingen ongewenst zijn (bijvoorbeeld nabij gevoelige instrumentatie of in een compact opgebouwde skid) is het plaatsen van een demper aan zowel de inlaat- als de uitlaatzijde aan te raden.

Uitlaatzijde: geen afsluiters of smoororganen

Volgens de FBF-machinehandleiding mag de product-uitlaatleiding nooit worden voorzien van een afsluiter of ander smoororgaan dat de doorstroming kan onderbreken of beperken: dit kan de druk stroomafwaarts van de homogenisator tot buiten het beveiligde bereik van de veiligheidsklep opvoeren en een gevaarlijke overdruksituatie veroorzaken. Eventuele doorstroomregeling gebeurt via de homogenisatiedruk zelf, niet door de uitlaatleiding te smoren.

De veiligheidsklep van de machine beveiligt uitsluitend het compressieblok en de kleppen zelf; wordt er stroomafwaarts extra leidingwerk toegevoegd, dan moet de installateur daarin een eigen, correct gedimensioneerd veiligheids- of overdrukorgaan opnemen.

14. Belangrijkste vuistregels

• Zorg voor een goede voormix (< 10 µm, geen deeltjes > 500 µm) voordat het product de homogenisator ingaat; zet bij een slecht of matig gedispergeerde voormix eerst een shear mixer in.

• Gebruik de laagst mogelijke druk die het gewenste resultaat oplevert — meer druk dan nodig kost alleen energie en slijtage.

• Kies twee trappen voor een nauwe, stabiele druppelgrootteverdeling (bijv. zuivel) en vrijwel altijd bij een hoger vetgehalte, om clustering van vetbolletjes te voorkomen; één trap volstaat vaak voor dispersies met een laag vetgehalte.

• Houd de viscositeit van de gedispergeerde fase bij voorkeur onder 200 cP voor optimale efficiëntie; een te koud product homogeniseert merkbaar slechter door hogere (vet)viscositeit.

• Boven circa 500–1.000 cP of bij hoog oliegehalte (> 65%): overweeg een colloïdemolen of high shear mixer als alternatief of aanvulling.

• Een correct gehomogeniseerd product blijft aanzienlijk langer stabiel — homogenisatie is een directe hendel op de houdbaarheid.

• Zorg voor voldoende voedingsdruk en een korte, rechte aanzuigleiding zonder luchtzakken; plaats pulsatiedempers op in- en uitlaat om cavitatie en leidingtrillingen te voorkomen.

• Controleer pakkingen, kleppen en carterolie regelmatig — dit voorkomt de meeste storingen.

15. Veelgestelde vragen

  1. Wat is het verschil tussen homogeniseren en mixen/shearmixen?
    Mixen en shearmixen verdelen en verkleinen deeltjes met mechanische beweging; homogeniseren perst het product onder hoge druk door een nauwe klepspleet, waardoor veel kleinere en uniformere druppels/deeltjes ontstaan dan met shearmixen mogelijk is.
  2. Waarom heeft een homogenisator één of twee trappen nodig?
    Eén trap volstaat voor dispersies met een laag vetgehalte; twee trappen zijn nodig bij emulsies en vetrijke producten, omdat de tweede trap clustering van druppels na de eerste trap voorkomt.
  3. Welke druk heb ik nodig voor mijn product?
    Dat hangt af van product en gewenste deeltjesgrootte; industrieel ligt dit meestal tussen 100-300 bar, bij kritische toepassingen tot 2.000 bar. Begin met de laagste druk die het gewenste resultaat geeft.
  4. Wat is de maximale deeltjesgrootte die de homogenisator aankan?
    Volgens de FBF-specificaties maximaal 500 micron; grovere deeltjes moeten vooraf worden afgevangen of met een shear mixer worden verkleind.
  5. Waarom wordt mijn product niet fijn genoeg, ondanks hoge druk?
    Vaak door een slechte voormix, een te hoge viscositeit, of versleten/vervuilde homogeniseerkleppen — meer druk lost dit zelden op.
  6. Hoe vaak moet ik de olie verversen?
    Elke 2.000 draaiuren (klinkt misschien als vaak, maar het is vergelijkbaar met de motorolie van een auto die in die tijd zo’n 100.000 km heeft afgelegd).
  7. Waardoor ontstaat cavitatie en hoe voorkom ik dit?
    Door onvoldoende voedingsdruk of lucht in het product; zorg voor voldoende inlaatdruk (doorgaans 2-3 bar), een korte rechte aanzuigleiding en een luchtvrij product.
  8. Wat kost een homogenisator aan energie/stroom?
    Fors: het motorvermogen loopt van enkele kW tot meer dan 100 kW, met bijbehorend hoog stroomverbruik en kosten per liter product.
  9. Wanneer kies ik voor een colloïdemolen of shear mixer in plaats van een homogenisator?
    Bij hogere viscositeiten of een hoger oliegehalte dan de homogenisator aankan, of wanneer submicron-fijnheid niet nodig is.
  10. Hoe lang blijft een gehomogeniseerd product stabiel?
    Aanzienlijk langer dan een niet- of matig gehomogeniseerd product: een correct gehomogeniseerd product blijft vaak weken-, tot maandenlang stabiel, tegenover soms dagen bij onvoldoende homogenisatie.

Bronnen

  • SPX FLOW / APV, “Homogenizer Handbook — Processing of Emulsions and Dispersions”, 2016.
  • Tetra Pak, “Dairy Processing Handbook”, hoofdstuk 6.3 – Homogenisers.
  • Hyprosys / FBF, productdocumentatie, machine- en installatiehandleidingen, offertespecificaties en servicerapportage hogedrukhomogenisatoren (FBF-serie).
  • SPX / MG Newell, “Homogenizer Trouble Shooting Guide”.
  • David S. Dickey, MixTech Inc., “Fundamentals of High-Shear Dispersers”, Chemical Engineering, 2015.

1. Inleiding

Een hogedrukhomogenisator perst vloeistofmengsels — emulsies (bijvoorbeeld olie-in-water) en dispersies (vaste deeltjes in een vloeistof) — onder zeer hoge druk door een nauwe klepopening, waardoor druppels en deeltjes tot een zeer kleine, uniforme grootte worden teruggebracht. Het resultaat is een fijnere, stabielere structuur: minder opromen (creaming), bezinking of fasescheiding, een consistentere viscositeit en textuur, en doorgaans een lagere emulgatordosering.

Dat stabiliteitseffect is in de praktijk vaak de belangrijkste reden om te homogeniseren: door de druppel- of deeltjesgrootte te verkleinen en de verdeling te versmallen, neemt de kans op ontmenging tijdens opslag en transport sterk af. Homogenisatie is daarmee een directe hefboom op de houdbaarheid (shelf life) van een product — een matig gehomogeniseerd zuivelproduct kan binnen dagen zichtbaar room afzetten, terwijl een correct gehomogeniseerd product wekenlang stabiel blijft.

De term ‘homogenisatie’ stamt uit 1900, toen Auguste Gaulin op de Wereldtentoonstelling in Parijs een machine voorstelde om melk te behandelen; melk die op deze manier was verwerkt werd toen voor het eerst ‘gehomogeniseerd’ genoemd. Zijn uitvinding — een plunjerpomp met homogeniseerklep — vormt nog steeds de basis van de machines die vandaag worden gebruikt, van laboratoriumtoestellen tot industriële installaties met capaciteiten van tienduizenden liters per uur.

Hogedrukhomogenisatoren worden wereldwijd toegepast in de zuivel-, voedingsmiddelen-, farmaceutische, biotechnologische en chemische industrie. Dit document behandelt de werking, de belangrijkste procesparameters, toepassingen, voor- en nadelen, onderhoudsaandachtspunten en de belangrijkste alternatieve technieken.

2. Werkingsprincipe

Een hogedrukhomogenisator bestaat in de kern uit twee onderdelen: een plunjerpomp (een verdringerpomp met meerdere plunjers) en een homogeniseerklep. De plunjerpomp zorgt voor een constante productstroom en bouwt de gewenste druk op. Deze druk wordt gerealiseerd doordat de klep tegen zijn zitting wordt gedrukt, waardoor de doorstroomopening zeer klein wordt.

Wat gebeurt er in de homogeniseerklep?

Het onbehandelde product komt de klepzitting binnen met een relatief lage snelheid (enkele meters per seconde) maar een hoge druk. Zodra het product door de nauwe spleet tussen klep en zitting wordt geperst, neemt de snelheid enorm toe — tot circa 150 meter per seconde bij een druk van ongeveer 200 bar — terwijl de druk vrijwel ogenblikkelijk wegvalt. Direct na de spleet botst de versnelde vloeistofstraal frontaal op de zogeheten impactring (ook wel slijtring): een vast onderdeel dat pal achter de klepopening is geplaatst. Deze botsing remt de stroming abrupt af en levert zelf een extra bijdrage aan het openbreken van druppels en deeltjes, voordat het product met sterk verminderde snelheid de machine verlaat. Deze combinatie van extreme versnelling, drukval en impact duurt minder dan 50 microseconden (0,00005 seconde), maar in die luttele tijd wordt een grote hoeveelheid energie in een zeer klein volume vloeistof gestopt.

Er zijn drie fysische effecten die samen deze energie omzetten in kleinere druppels en deeltjes:

  • Turbulentie — beschouwd als het belangrijkste mechanisme. De energie die vrijkomt genereert intense turbulente wervelingen, ongeveer even groot als de druppels zelf. De drukverschillen binnen deze wervelingen trekken de druppels letterlijk uiteen.
  • Cavitatie — door de sterke drukval kan de dampspanning van de vloeistof lokaal worden overschreden, waardoor piepkleine dampbelletjes ontstaan die direct weer imploderen. De schokgolven die daarbij vrijkomen helpen mee om druppels open te breken.
  • Impact — de frontale botsing van de versnelde vloeistofstraal op de impactring, direct na de klepspleet, draagt eveneens bij aan de verdere fijnverdeling — met name bij hardere of grovere deeltjes.

Shear (afschuiving) wordt in de volksmond vaak als hoofdoorzaak genoemd, maar speelt in de klep zelf een beperktere rol dan vaak wordt gedacht: de daadwerkelijke afschuifkrachten in de bulkstroming zijn hiervoor doorgaans te beperkt.

Energie en temperatuur

Doordat zoveel energie in zo weinig tijd en volume wordt gedissipeerd, ontstaat een zeer hoge energiedichtheid — indicatief in de orde van 1.000 kW per kubieke centimeter product. Opvallend is dat minder dan 0,1% van deze energie daadwerkelijk wordt gebruikt om nieuw druppeloppervlak te creëren; het overgrote deel wordt direct omgezet in warmte. Het product warmt dus onvermijdelijk op tijdens de passage door de klep. Voor een waterachtig product komt dit ruwweg neer op 2 tot 2,5 °C temperatuurstijging per 100 bar homogenisatiedruk; bij 300 bar loopt dat dus al op tot 6-8 °C. Producten met een lagere soortelijke warmte (met name vet- en olierijke producten) warmen bij gelijke druk sterker op dan waterige producten. Bij warmtegevoelige formuleringen is deze opwarming een reëel aandachtspunt, al blijft de temperatuurstijging bij homogenisatoren doorgaans lager dan bij vergelijkbare hoogenergetische alternatieven zoals de colloïdemolen.

3. Opbouw van de machine

Onder de motorkap van iedere industriële hogedrukhomogenisator zit in essentie dezelfde combinatie van onderdelen, ongeacht merk of capaciteit:

  • Aandrijving/motor — een elektromotor drijft via een riem- of tandwieloverbrenging de krukas aan.
  • Krukas en drijfstangen — zetten de draaiende beweging van de motor om in de heen-en-weergaande beweging van de plunjers.
  • Plunjers — meestal 2, 3 of 5 stuks, meestal uitgevoerd met een slijtvaste coating (bijvoorbeeld Diamond Like Carbon), verdringen het product en bouwen de druk op.
  • Pakkingen/dichtingen — dichten de plunjers af tegen het compressieblok; dit zijn typische slijtdelen (zie hoofdstuk 11).
  • Compressieblok met zuig- en persklep — zorgt dat het product in de juiste richting stroomt tijdens de op- en neergaande beweging van de plunjers.
  • Homogeniseerklep(pen) — het hart van de machine, waar de daadwerkelijke homogenisatie plaatsvindt (zie hoofdstuk 2).
  • Veiligheidsklep — beveiligt de installatie tegen overdruk.
  • Smeersysteem — een gescheiden oliesysteem smeert het carter/de aandrijving; product en smeerolie mogen elkaar nooit raken.

Voor kritische of hoogviskeuze toepassingen zijn de compressiekop en kleppen doorgaans uitgevoerd in RVS, wolfraamcarbide of keramiek om slijtage door abrasieve deeltjes te beperken.

4. Eén of twee homogenisatietrappen

Veel homogenisatoren zijn uitgerust met een tweede klep, direct na de eerste. Dit wordt de ’tweede trap’ genoemd, en werkt op een aanzienlijk lagere druk dan de eerste trap — meestal ongeveer 10 tot 15% van de totale homogenisatiedruk.

Wat doet de tweede homogeniseertrap?

De tweede trap voegt zelf weinig extra deeltjesverkleining toe. Zijn belangrijkste functie is het beïnvloeden van het proces in de eerste trap: door tegendruk (backpressure) te leveren, onderdrukt de tweede trap cavitatie in de eerste trap en houdt hij de turbulente werking in stand. Met andere woorden: de tweede trap ‘stemt’ de eerste trap fijn af. Bij zuivelproducten is aangetoond dat een homogenisator met twee trappen op 138 bar een vergelijkbaar resultaat geeft als een systeem met één trap op 152–159 bar — de tweede trap maakt het proces dus effectiever bij eenzelfde (of zelfs lagere) belasting van de machine.

Wanneer één trap, wanneer twee trappen

  • Eén trap volstaat vaak bij dispersies (bijvoorbeeld pigmenten, klei, ketchup) en bij toepassingen waar een brede druppelgrootteverdeling geen probleem is, of waar juist een specifieke, hogere viscositeit gewenst blijft (een tweede trap kan de viscositeit van sommige complexe producten beïnvloeden).
  • Twee trappen worden aanbevolen bij emulsies waar een nauwe, stabiele druppelgrootteverdeling belangrijk is — het klassieke voorbeeld is melk en room, maar ook bij fijne voedings-, farmaceutische en chemische emulsies waar terugkerende opromen (creaming) of scheiding voorkomen moet worden.
  • Producten met een hoog vetgehalte hebben vrijwel altijd een tweede trap nodig. Bij eentraps-homogenisatie van vetrijke producten (room, volle melk, sauzen met een hoog oliegehalte) blijven vetbolletjes na de klep elektrostatisch en fysisch aan elkaar ‘plakken’ en vormen ze clusters (clustering) die zich als grotere deeltjes gedragen — met versnelde opromen als gevolg, ook al is de oorspronkelijke druppelgrootte klein. De tweede trap breekt deze clusters weer uiteen direct nadat ze zijn ontstaan, zodat de individuele, kleine druppelgrootte behouden blijft.

Als vuistregel geldt: gebruik één trap wanneer het doel vooral deeltjesverkleining is en het vetgehalte laag is; gebruik twee trappen wanneer een nauwe en stabiele verdeling minstens zo belangrijk is als de gemiddelde deeltjesgrootte zelf, en vrijwel altijd bij een hoger vetgehalte.

5. Wat bepaalt goede homogenisatie

Druk en deeltjesgrootte

Hoe hoger de homogenisatiedruk, hoe kleiner de gemiddelde druppel- of deeltjesgrootte — maar dit verband is niet lineair. De curve is logaritmisch: bij lage druk levert iedere extra bar een grote winst op, maar bij hoge druk vlakt de curve sterk af. Er bestaat bovendien een praktische ondergrens: rond 0,1 tot 0,2 micrometer wordt verdere drukverhoging nauwelijks nog effectief, omdat de oppervlaktekrachten van zeer kleine druppeltjes steeds meer weerstand bieden tegen verdere opdeling.

Figuur 3 — Effect van druk en aantal doorgangen op de deeltjesgrootte (illustratief).

Kwaliteit van de voormix (premix)

De conditie van het product vóór het de homogenisator ingaat is een van de bepalende factoren voor het eindresultaat. Grote druppels kosten relatief weinig energie om tot een gemiddelde grootte te reduceren; het is inefficiënt — en belastend voor de machine — om de dure, hoogenergetische homogenisator in te zetten op een grove, slecht voorgedispergeerde voormix. Als vuistregel moet de voormix al druppels kleiner dan circa 10 micrometer bevatten, zodat de homogenisator zijn energie kan reserveren voor de laatste, fijnste verkleiningsstap. Ook de uniformiteit van de voormix telt: een brede spreiding in de voormix kan resulteren in een bimodale (tweetoppige) deeltjesgrootteverdeling in het eindproduct, ook na homogenisatie.

Is de voormix slecht tot matig gedispergeerd — grove agglomeraten, niet volledig bevochtigde poeders, een grove ruwe emulsie rechtstreeks vanuit een mengtank — dan is het raadzaam om vóór de homogenisator een (high) shear mixer of rotor-statormenger te installeren als voorbewerkingsstap. Deze reduceert de voormix in één of enkele passages tot een fijnere, uniformere grove emulsie of dispersie, waarna de homogenisator die verder afwerkt tot de uiteindelijke, fijne deeltjesgrootte. Dit voorkomt onnodige belasting en slijtage van de homogeniseerklep en levert doorgaans een beter eindresultaat op dan de homogenisator direct op een ruwe voormix te laten werken.

Er geldt bovendien een harde bovengrens: te grove deeltjes kunnen de nauwe klepspleet fysiek niet passeren zonder de klep en zitting te beschadigen of te blokkeren. Op de FBF-machinespecificaties (Hyprosys) wordt hiervoor consistent een maximale deeltjesgrootte van 500 micrometer aangehouden voor het voedingsproduct van de homogenisator, ongeacht model of toepassing. Grovere fracties moeten vooraf worden afgevangen (bijvoorbeeld met een zeef of strainer) of eerst met een shear mixer worden verkleind.

Meerdere doorgangen (multipass)

Omdat homogenisatie een statistisch proces is, wordt niet elk druppeltje bij een enkele passage even intensief bewerkt. Een deel van de druppels ‘ontsnapt’ relatief onbewerkt. Door het product meerdere keren door de klep te sturen, neemt de kans toe dat ook deze grotere druppels alsnog worden verkleind, wat de verdeling versmalt. Het effect van extra doorgangen neemt echter snel af: voorbij circa negen doorgangen levert een extra passage nauwelijks nog verbetering op.

Vet-/oliegehalte

Bij een hoger vet- of oliegehalte moet dezelfde hoeveelheid energie over meer druppels worden verdeeld, waardoor de emulsiekwaliteit iets terugloopt. De homogenisator werkt het meest efficiënt bij een oliegehalte onder 50%; boven ongeveer 65% oliefractie wordt het lastig om nog een stabiele emulsie te maken (bij zeer fijne deeltjes ligt deze grens soms al bij 50%).

Materiaalslijtage bij abrasieve producten

Producten met harde, hoekige deeltjes (zoals sommige pigment- of mineraaldispersies) zijn abrasiever dan gladde emulsies en veroorzaken meer slijtage aan klep en zitting. Hoe abrasief een product precies is, hangt niet alleen af van de hardheid van het materiaal maar ook van deeltjesvorm en -grootte; kleinere deeltjes zijn doorgaans minder abrasief dan grotere deeltjes van hetzelfde materiaal. Voor dit soort toepassingen worden klep en zitting vaak uitgevoerd in wolfraamcarbide of keramiek.

6. Invloed van vloeistofviscositeit

De hogedrukhomogenisator werkt het beste met producten van een relatief lage viscositeit. Hoe viskeuzer het product, hoe minder efficiënt de energie wordt omgezet in deeltjesverkleining.

Newtoniaanse versus niet-Newtoniaanse vloeistoffen

Bij Newtoniaanse vloeistoffen blijft de viscositeit constant, ongeacht de mate van afschuiving. Veel echte producten zijn echter niet-Newtoniaans: thixotroop/pseudoplastisch (zoals latexverf), waarbij de viscositeit daalt naarmate er meer kracht op wordt uitgeoefend, of dilatant, waarbij de viscositeit juist sterk toeneemt onder belasting. Dilatante producten zijn doorgaans niet geschikt voor hoogenergetische apparatuur zoals de homogenisator (met uitzondering van bepaalde ruwe kleidispersies).

Effect op efficiëntie

Figuur 4 — Invloed van viscositeit op de homogenisatie-efficiëntie (illustratief).

Als praktische richtlijn geldt voor de viscositeit van de gedispergeerde fase (bijvoorbeeld de oliefase in een olie-in-water-emulsie):

  • Onder circa 200 cP: optimale werking van de homogenisator.
  • Tussen circa 200 en 1.000 cP: geleidelijk afnemende efficiëntie — vaak nog bruikbaar, maar minder scherp resultaat.
  • Boven circa 500 cP wordt de homogenisator merkbaar minder efficiënt; boven de 1.000 cP is een homogenisator meestal geen goede keuze meer.

Ook de viscositeit van de continue fase (bijvoorbeeld de waterfase) speelt mee: de efficiëntie neemt af tot ongeveer 100 cP, waarna het effect afvlakt. In de praktijk kan een te hoge viscositeit worden verlaagd door het product op te warmen, of — bij bijvoorbeeld harsemulsies — door de oliefase in een oplosmiddel op te lossen. Bij continue processen wordt om deze reden regelmatig een verwarmde voormix toegepast.

Invloed van producttemperatuur

Omdat viscositeit temperatuurafhankelijk is, is de producttemperatuur bij aanvoer naar de homogenisator een directe hendel op het proces. Een hogere voedingstemperatuur verlaagt de viscositeit van de vet-/oliefase en verbetert daarmee doorgaans de homogenisatie-efficiëntie — dit is de reden dat homogenisatie in de zuivelindustrie vrijwel altijd direct aansluitend op pasteurisatie plaatsvindt, terwijl het product nog warm is (doorgaans 55-70 °C). Melkvet is bij deze temperatuur volledig vloeibaar; onder het smeltpunt van melkvet (circa 35 °C) is een deel van het vet kristallijn, wat de vetbolletjes stugger en lastiger te vervormen maakt. Homogeniseren van een te koud product levert daardoor merkbaar minder fijne en minder stabiele emulsies op, ongeacht de ingestelde druk.

Een te hoge voedingstemperatuur kent echter ook risico’s: bij warmtegevoelige producten (eiwitten, enzymen, sommige farmaceutische formuleringen) kan overmatige opwarming — de voedingstemperatuur plus de temperatuurstijging die de homogenisator zelf toevoegt, zie paragraaf 2.2 — leiden tot denaturatie, functieverlies of ongewenste bruining/smaakvorming. Voor dit soort producten wordt de voedingstemperatuur juist bewust laag gehouden en wordt eventueel gekoeld tussen de trappen of na de homogenisator. De optimale procestemperatuur is dus altijd een afweging tussen voldoende lage viscositeit voor een goede fijnverdeling enerzijds, en het beperken van thermische belasting van het product anderzijds.

7. Drukbereiken in de praktijk

De juiste homogenisatiedruk hangt sterk af van het product en het gewenste resultaat. Onderstaande tabel geeft een indicatief overzicht van drukbereiken zoals die in de praktijk voorkomen, van laboratoriumtoestellen tot grote industriële installaties.

Type / toepassing Typische druk Indicatieve capaciteit
Microlab (bijv. Microlab 400, ijsproductie) ≈ 120 bar 400 l/u
Industriële homogenisator (bijv. FBF-serie, zuivel/food) 100 – 300 bar (standaard)

300 – 600 bar (optioneel)

50 – 66.000 l/u (per model en afhankelijk van de werkdruk)
Laboratoriumhomogenisator (bijv. MiniLab) tot 1.800 bar 20 – 58 l/u
Kritische emulsies (SEO-klep: liposomen, IV-emulsies) > 690 bar toepassingsafhankelijk
Bovengrens hogedruktechnologie (industrieel/lab) tot circa 2.000 bar toepassingsafhankelijk

In de zuivel- en voedingsindustrie wordt doorgaans gewerkt in het bereik van 100 tot 300 bar. Voor laboratoriumtoepassingen en kritische farmaceutische producten (bijvoorbeeld liposomen of intraveneuze emulsies) kan de druk oplopen tot 700 bar en zelfs tot rond de 2.000 bar bij gespecialiseerde hogedruksystemen. Als algemene vuistregel geldt: begin met de laagst mogelijke druk die het gewenste resultaat oplevert, en bepaal dit experimenteel door bij oplopende druk steeds een deeltjesgrootte- of viscositeitsmeting te doen — extra druk boven het punt waarop de kwaliteit niet meer verbetert, kost alleen maar energie en slijtage. Daarnaast wordt opschalen naar productievolumes bij ultra hoge verwerkingsdrukken lastig.

8. Toepassingen

Zuivel en voeding

De grootste en meest bekende toepassing: melk, room en ijsmixen. Ook dispersies zoals ketchup en tomatensaus, vruchtensappen, emulsies zoals sinaasappelolie- en drankemulsies, slagroomvervangers en cremesoepen worden gehomogeniseerd voor een stabielere, gladdere textuur.

Farmaceutische industrie

Crèmes en lotions (bijvoorbeeld met benzoylperoxide), antacida- en vitaminesuspensies, en — bij zeer hoge druk — kritische producten zoals liposomen, intraveneuze emulsies en bloedvervangende perfluorkoolstofemulsies.

Biotechnologie

Celdisruptie: het openbreken van micro-organismen zoals gist en E. coli om eiwitten en enzymen vrij te maken. Hiervoor bestaan speciale, ééntraps homogeniseerkleppen (cell disruption-kleppen) die specifiek geoptimaliseerd zijn voor dit doel.

Chemie

Dispersies van pigmenten zoals titaniumdioxide en carbon black, klei- en talkdispersies, en emulsies zoals was- en siliconenolie-emulsies.

9. Voordelen van hogedrukhomogenisatie

  • Langere houdbaarheid en stabielere producteigenschappen — een nauwe, kleine deeltjesgrootteverdeling vertraagt opromen, bezinking en fasescheiding aanzienlijk, met een direct effect op de shelf life en op een consistente textuur en viscositeit over de hele houdbaarheidstermijn.
  • Zeer fijne, uniforme deeltjes/druppels — tot in het submicron-gebied (rond 0,1 µm), met een reproduceerbaar resultaat.
  • Minder emulgator nodig — de hoge energie-inbreng vervangt chemische stabilisatoren. Ter illustratie: een emulsie gemaakt met een homogenisator op ruim 270 bar kan een vergelijkbare kwaliteit geven met 0,25% emulgator, tegenover circa 2,25% bij een high-shear mixer voor hetzelfde resultaat — een besparing die kan oplopen tot een factor 10 op emulgatorkosten.
  • Continu en hoogcapaciteitsproces — geschikt voor grootschalige, continue productielijnen en voor gesloten/aseptische systemen; er is geen aparte pomp nodig om het product na verwerking verder te transporteren.
  • Relatief beperkte temperatuurstijging — in vergelijking met andere hoogenergetische technieken blijft de opwarming van het product beperkt.
  • Breed inzetbaar — geschikt voor uiteenlopende sectoren: zuivel, voeding, farma, biotech en chemie.

10. Nadelen en aandachtspunten

  • Hoge investerings- en onderhoudskosten — plunjers, pakkingen en kleppen zijn slijtdelen die periodiek vervangen moeten
  • Beperkt tot lagere viscositeiten — boven circa 500–1.000 cP (gedispergeerde fase) neemt de efficiëntie sterk af; voor zeer viskeuze producten is de homogenisator niet de eerste keuze.
  • Gevoelig voor slijtage bij abrasieve producten — harde, hoekige deeltjes tasten klep en zitting sneller aan, wat vraagt om slijtvaste materialen en frequente inspectie.
  • Kritisch afhankelijk van een goede voormix — een te grove of ongelijkmatige voormix beperkt het eindresultaat, ongeacht de ingestelde druk.
  • Laag energetisch rendement voor het eigenlijke doel — minder dan 0,1% van de toegevoerde energie wordt daadwerkelijk gebruikt voor druppelverkleining; het proces is daardoor relatief energie-intensief per liter product.
  • Beperkt maximaal oliegehalte — boven circa 65% oliefractie is een stabiele emulsie lastig te maken (in tegenstelling tot bijvoorbeeld een colloïdemolen).
  • Hoog energieverbruik — Het continu opbouwen van hoge drukken vraagt een fors motorvermogen (enkele kW tot meer dan 100 kW), met bijbehorende hoge stroomverbruik en kosten.

11. Onderhoud: waar op te letten

Een hogedrukhomogenisator is een mechanisch zwaarbelaste machine: elke plunjerslag brengt het product en de kritische onderdelen op hoge druk. Regelmatige controle van onderstaande punten voorkomt de meeste storingen en verlengt de levensduur aanzienlijk.

Belangrijkste aandachtspunten

  • Veiligheidsklep: controleer periodiek op correcte werking en afwezigheid van lekkage.
  • Plunjers en pakkingen: dit zijn de meest voorkomende slijtdelen; lekkage hier is vaak het eerste signaal van slijtage.
  • Zuig- en persklepjes: vervuiling of slijtage hiervan veroorzaakt capaciteits- en drukverlies.
  • Oliekwaliteit in het carter: water of productresten in de olie zijn een waarschuwingssignaal voor een lekkende afdichting en verhogen het risico op lagerschade. Na 2.000 draaiuren is de smeerolie van de homogenisator net zo aan vervanging toe als de motorolie van een auto die in diezelfde tijd zo’n 100.000 km zou hebben afgelegd (uitgaande van een gemiddelde snelheid van 50 km/u).
  • Homogeniseerklep(pen): reinig en inspecteer regelmatig, vooral bij abrasieve producten.

12. Alternatieven voor hogedrukhomogenisatie

Colloïdemolen

De colloïdemolen werkt volgens een ander principe: het product wordt door de nauwe, instelbare spleet tussen een roterende conus (rotor) en een vast onderdeel (stator) geperst. Door de hoge omtreksnelheid van de rotor ontstaan sterke afschuifkrachten (shear) in het product.

  • Voordelen: kan aanzienlijk hogere viscositeiten verwerken (tot 5.000 cP, en met een lager toerental zelfs meer), en een hoger oliegehalte (tot 80–85% tegenover circa 65% bij de homogenisator) zonder dat de emulsie omslaat. Minder gevoelig voor viscositeitstoename dan de homogenisator.
  • Nadelen: de bereikte deeltjesgrootte is groter (doorgaans 1–5 µm in plaats van submicron), er is meer emulgator nodig voor een vergelijkbaar stabiele emulsie, en vaak is een extra pomp nodig om het product verder te transporteren. Daarnaast is de capaciteit van een colloïdemolen beperkt en moeten de koppen van de machine regelmatig worden gekalibreerd/bijgesteld. Voor grotere productievolumes is een colloïdemolen waarschijnlijk niet een alternatief.

(Ultra) high shear mixers / rotor-statormengers

High shear mixers gebruiken een snel roterende kop (dispergeerschijf, rotor-stator of inline-high shear mixer) om poeders te bevochtigen, op te lossen of grove emulsies te maken. Zoals aangegeven in paragraaf 5.2 worden ze zeer regelmatig ingezet als voorbewerkingsstap vóór de hogedrukhomogenisator: bij een slecht of matig gedispergeerde voormix — of wanneer deeltjes de maximaal toelaatbare grootte voor de klep (500 µm, zie paragraaf 5.2) kunnen overschrijden — voorkomt een shear mixer vooraf onnodige slijtage en een matig eindresultaat.

  • Voordelen: eenvoudiger, compacter en goedkoper in aanschaf en onderhoud dan een hogedrukhomogenisator; geschikt voor batchprocessen; goed in het oplossen/bevochtigen van poeders en het maken van een voormix; geen extreem hoge druk nodig. In lijn (Ultra) High shear mixers zijn beschikbaar met hoge verwerkingscapaciteiten, vergen geen tussentijds bijstellen en kunnen een prima alternatief zijn voor een hogedrukhomogenisator als het gaat om halffabricaten of producten met een hogere viscositeit.
  • Nadelen: bereikt minder uniforme deeltjes-/druppelgrootte, vraagt meer emulgator voor eenzelfde stabiliteit, en is niet geschikt voor toepassingen die submicron-deeltjes of celdisruptie vereisen. Het vereiste vermogen van een ultra high shear mixer is hoog.

Vergelijking

Techniek Typische deeltjesgrootte Viscositeitsbereik Energie
dichtheid
Typisch toegepast voor
Hogedrukhomogenisator 0,1 – 1 µm (tot submicron) Laag (< 200–500 cP optimaal) Zeer hoog Fijne, stabiele emulsies/dispersies; celdisruptie; kritische farma-toepassingen
Ultra high shear mixer / rotor-statormenger 1 – 30 µm Gemiddeld tot hoog Gemiddeld – Hoog Viskeuze producten, hoog oliegehalte Fijne, stabieleemulsies/dispersies; Zuivel, sauzen, Mayonaise/dressing
Colloïdemolen (rotor-stator, verstelbare spleet) 1 – 5 µm Hoog (tot 5.000 cP, meer bij lager toerental) Gemiddeld Viskeuze producten, hoog oliegehalte (tot 80–85%), mayonaise/dressings
(High) shear mixer / rotor-statormenger 5 – 50 µm Gemiddeld tot hoog Laag – gemiddeld Poeder bevochtigen/oplossen, voormix maken, batch- of inline-processen, emulgeren

In de praktijk worden deze technieken vaak gecombineerd: een high shear mixer maakt een grove voormix, die vervolgens met een colloïdemolen of hogedrukhomogenisator verder wordt verfijnd tot de uiteindelijke gewenste deeltjesgrootte.

13. Aansluiting en leidingwerk

Een correct ingestelde homogenisator presteert alsnog onder de maat als de aan- en afvoerleidingen niet goed zijn aangelegd. Verkeerd leidingwerk is in de praktijk een veelvoorkomende oorzaak van cavitatie, capaciteitsverlies en mechanische trillingen. Deze paragraaf is gebaseerd op de Hyprosys/FBF-machinedocumentatie en de officiële troubleshooting-documentatie; §13.2 beschrijft daarnaast algemene, in de procesindustrie breed toegepaste praktijk voor leidingwerk van plunjerpompen, die niet Hyprosys-specifiek is vastgelegd maar wel relevant is bij het ontwerpen van de aansluiting.

Voedingsdruk en cavitatie aan de zuigzijde

Elke plunjer moet bij iedere zuigslag volledig met product worden gevuld. Is de voedingsdruk aan de inlaat te laag — of zijn de leidingverliezen in de aanvoerleiding te groot — dan vullen de cilinders onvolledig. Dit is in de kern cavitatie aan de zuigzijde: er ontstaan dampbelletjes die bij de daaropvolgende compressie imploderen, met capaciteitsverlies, schommelende homogenisatiedruk en versnelde slijtage van zuig- en persklep als gevolg. FBF-machinespecificaties stellen daarom altijd een minimale voedingsdruk aan de inlaat als harde installatie-eis (doorgaans 2-3 bar, modelafhankelijk — zie het technische gegevensblad van de betreffende machine); dit is geen aanbeveling maar een voorwaarde voor storingsvrij bedrijf.

Lucht in het product geeft vrijwel dezelfde symptomen als een te lage voedingsdruk (capaciteitsverlies, drukschommelingen) en wordt in de officiële troubleshooting-documentatie dan ook als aparte, gelijkwaardige oorzaak genoemd — met als remedie simpelweg het product luchtvrij aan te voeren. Bij een onstabiele of te lage voedingsdruk is de remedie volgens diezelfde documentatie: de voedingsdruk stabiliseren of verhogen, bijvoorbeeld met een boosterpomp wanneer zwaartekrachttoevoer of de leidingdruk vanuit het voorproces niet volstaat.

Leidingwerk: bochten en leidinglengte

  • Houd de aanzuigleiding zo kort en recht mogelijk: iedere bocht voegt wrijvingsverlies toe, wat de effectieve voedingsdruk bij de inlaat verlaagt en de kans op cavitatie vergroot.
  • Vermijd scherpe 90°-bochten direct vóór de inlaatflens; gebruik bochten met een ruime radius en laat, als een bocht vlak voor de inlaat onvermijdelijk is, een recht leidingstuk van enkele buisdiameters vóór de flens zodat de stroming gelijkmatig over de doorsnede aankomt.
  • Vermijd hoge punten of luchtzakken in de aanzuigleiding — een leiding die ongewenst omhoog en weer omlaag loopt, verzamelt lucht die vervolgens wordt meegezogen.
  • Kies een ruime leidingdiameter voor de aanzuigleiding, zodat de stroomsnelheid en daarmee het wrijvingsverlies laag blijven.

Pulsatiedempers

Een plunjerpomp levert van nature een pulserende stroom: iedere plunjerslag is een afzonderlijke drukstoot. Die pulsatie plant zich voort in star leidingwerk en kan leiden tot hoorbare trillingen (‘schudden’) van de leidingen, met op termijn vermoeiing van leidingsteunen, lasnaden en instrumentatie. Volgens de officiële troubleshooting-documentatie is de remedie tegen trillende leidingen door drukpulsaties: de voedings- en afvoercondities verbeteren én pulsatiedemper(s) plaatsen.

Hyprosys/FBF biedt pulsatiedempers op zowel de product-inlaat als de -uitlaat standaard als optie aan. Bij lange leidingtrajecten, hogere capaciteiten, of installaties waar leidingtrillingen ongewenst zijn (bijvoorbeeld nabij gevoelige instrumentatie of in een compact opgebouwde skid) is het plaatsen van een demper aan zowel de inlaat- als de uitlaatzijde aan te raden.

Uitlaatzijde: geen afsluiters of smoororganen

Volgens de FBF-machinehandleiding mag de product-uitlaatleiding nooit worden voorzien van een afsluiter of ander smoororgaan dat de doorstroming kan onderbreken of beperken: dit kan de druk stroomafwaarts van de homogenisator tot buiten het beveiligde bereik van de veiligheidsklep opvoeren en een gevaarlijke overdruksituatie veroorzaken. Eventuele doorstroomregeling gebeurt via de homogenisatiedruk zelf, niet door de uitlaatleiding te smoren.

De veiligheidsklep van de machine beveiligt uitsluitend het compressieblok en de kleppen zelf; wordt er stroomafwaarts extra leidingwerk toegevoegd, dan moet de installateur daarin een eigen, correct gedimensioneerd veiligheids- of overdrukorgaan opnemen.

14. Belangrijkste vuistregels

• Zorg voor een goede voormix (< 10 µm, geen deeltjes > 500 µm) voordat het product de homogenisator ingaat; zet bij een slecht of matig gedispergeerde voormix eerst een shear mixer in.

• Gebruik de laagst mogelijke druk die het gewenste resultaat oplevert — meer druk dan nodig kost alleen energie en slijtage.

• Kies twee trappen voor een nauwe, stabiele druppelgrootteverdeling (bijv. zuivel) en vrijwel altijd bij een hoger vetgehalte, om clustering van vetbolletjes te voorkomen; één trap volstaat vaak voor dispersies met een laag vetgehalte.

• Houd de viscositeit van de gedispergeerde fase bij voorkeur onder 200 cP voor optimale efficiëntie; een te koud product homogeniseert merkbaar slechter door hogere (vet)viscositeit.

• Boven circa 500–1.000 cP of bij hoog oliegehalte (> 65%): overweeg een colloïdemolen of high shear mixer als alternatief of aanvulling.

• Een correct gehomogeniseerd product blijft aanzienlijk langer stabiel — homogenisatie is een directe hendel op de houdbaarheid.

• Zorg voor voldoende voedingsdruk en een korte, rechte aanzuigleiding zonder luchtzakken; plaats pulsatiedempers op in- en uitlaat om cavitatie en leidingtrillingen te voorkomen.

• Controleer pakkingen, kleppen en carterolie regelmatig — dit voorkomt de meeste storingen.

15. Veelgestelde vragen

  1. Wat is het verschil tussen homogeniseren en mixen/shearmixen?
    Mixen en shearmixen verdelen en verkleinen deeltjes met mechanische beweging; homogeniseren perst het product onder hoge druk door een nauwe klepspleet, waardoor veel kleinere en uniformere druppels/deeltjes ontstaan dan met shearmixen mogelijk is.
  2. Waarom heeft een homogenisator één of twee trappen nodig?
    Eén trap volstaat voor dispersies met een laag vetgehalte; twee trappen zijn nodig bij emulsies en vetrijke producten, omdat de tweede trap clustering van druppels na de eerste trap voorkomt.
  3. Welke druk heb ik nodig voor mijn product?
    Dat hangt af van product en gewenste deeltjesgrootte; industrieel ligt dit meestal tussen 100-300 bar, bij kritische toepassingen tot 2.000 bar. Begin met de laagste druk die het gewenste resultaat geeft.
  4. Wat is de maximale deeltjesgrootte die de homogenisator aankan?
    Volgens de FBF-specificaties maximaal 500 micron; grovere deeltjes moeten vooraf worden afgevangen of met een shear mixer worden verkleind.
  5. Waarom wordt mijn product niet fijn genoeg, ondanks hoge druk?
    Vaak door een slechte voormix, een te hoge viscositeit, of versleten/vervuilde homogeniseerkleppen — meer druk lost dit zelden op.
  6. Hoe vaak moet ik de olie verversen?
    Elke 2.000 draaiuren (klinkt misschien als vaak, maar het is vergelijkbaar met de motorolie van een auto die in die tijd zo’n 100.000 km heeft afgelegd).
  7. Waardoor ontstaat cavitatie en hoe voorkom ik dit?
    Door onvoldoende voedingsdruk of lucht in het product; zorg voor voldoende inlaatdruk (doorgaans 2-3 bar), een korte rechte aanzuigleiding en een luchtvrij product.
  8. Wat kost een homogenisator aan energie/stroom?
    Fors: het motorvermogen loopt van enkele kW tot meer dan 100 kW, met bijbehorend hoog stroomverbruik en kosten per liter product.
  9. Wanneer kies ik voor een colloïdemolen of shear mixer in plaats van een homogenisator?
    Bij hogere viscositeiten of een hoger oliegehalte dan de homogenisator aankan, of wanneer submicron-fijnheid niet nodig is.
  10. Hoe lang blijft een gehomogeniseerd product stabiel?
    Aanzienlijk langer dan een niet- of matig gehomogeniseerd product: een correct gehomogeniseerd product blijft vaak weken-, tot maandenlang stabiel, tegenover soms dagen bij onvoldoende homogenisatie.

Bronnen

  • SPX FLOW / APV, “Homogenizer Handbook — Processing of Emulsions and Dispersions”, 2016.
  • Tetra Pak, “Dairy Processing Handbook”, hoofdstuk 6.3 – Homogenisers.
  • Hyprosys / FBF, productdocumentatie, machine- en installatiehandleidingen, offertespecificaties en servicerapportage hogedrukhomogenisatoren (FBF-serie).
  • SPX / MG Newell, “Homogenizer Trouble Shooting Guide”.
  • David S. Dickey, MixTech Inc., “Fundamentals of High-Shear Dispersers”, Chemical Engineering, 2015.

Basiskennis Hogedrukhomogenisatoren

Zoeken